Zo doende 2014: 18% meer dierproeven dan in 2013

De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) heeft gisteren Zo doende 2014, haar jaarlijkse rapport over dierproeven en proefdieren in Nederland, gepubliceerd. Het aantal proefdieren is 17,9% hoger dan in 2013. Ondanks dat het rapport herziende cijfers voor 2013 bevat is directe vergelijking lastig vanwege nieuwe rapportagecriteria die voortvloeien uit de Europese Richtlijn 2010/63/EU.

Elk land rapporteert nu elk proefdier aan het einde van het experiment en het ernstigste ongerief dat het dier in zijn leven heeft ondergaan. Deze regel zal zorgen voor een nauwkeuriger en transparanter proces waarmee onderzoek kan worden beoordeeld op de daadwerkelijke last voor proefdieren. Deze en andere nieuwe rapportagecriteria zullen ervoor zorgen dat proefdierstatistieken in Europa eerlijk met elkaar vergeleken kunnen worden.

In 2014 werden in Nederland 563.769 dieren gebruikt voor wetenschappelijke doeleinden. De Nederlandse overheid heeft een striktere definitie van dierproeven dan de Europese: in Nederland worden ook dieren die gedood zijn alleen ten behoeve van het gebruik van hun organen, weefsels of lichaamsvloeistoffen aangemerkt als proefdieren. Volgens deze Nederlandse criteria zijn in 2014 621.027 dierproeven uitgevoerd.

[Klik om te vergroten] Aantal proefdieren gebruikt in Nederland in 2014, per soort

[Klik om te vergroten] Aantal proefdieren gebruikt in Nederland in 2014, per soort

Muizen en ratten zijn met afstand de meest gebruikte soort: samen vormden ze tweederde deel (67%) van alle proefdieren. Niethumane primaten maakten 0,4‰ van alle proefdieren in Nederland in 2014 uit. 25,8% van de proeven werden uitgevoerd met gebruik van genetisch gemodificeerde dieren, waarvan de definitie is uitgebreid met dieren die in het fokproces van genetisch gewijzigde dieren gebruikt zijn. Muizen vormden met 97,8% de ruime meerderheid van genetisch gemodificeerde dieren.

De categoriëen voor het rapporteren van pijn en ongerief zijn in Nederland aangepast aan de Europese normen. De meerderheid van de dierproeven behoorde tot de categorie ‘mild’ (78,1%); de andere proeven waren ‘matig’ (17%), ‘ernstig’ (2,7%) en ‘terminaal onder anaesthesie’ (2,1%). In bijna 70% van de dierproeven werd geen anesthesie gebruikt, en pijnbestrijding werd in 81,25% van de proeven niet toegepast. Anti-dierproevenactivisten gebruiken deze cijfers vaak om te betogen dat dierproeven wreed zijn, dus is het belangrijk om erop te wijzen dat proeven zonder anesthesie of pijnbestrijding worden gedaan omdat daar bij de meeste milde proeven geen reden voor is.

De statistieken over 2014 werden zonder interactie met de pers op de NVWA-website geplaatst, waardoor de cijfers waren opengesteld voor onjuiste interpretatie door onder andere anti-dierproevenactivisten. Lees hier ons pleidooi voor een pro-actieve communicatie over proefdierstatistieken.

Share on FacebookTweet about this on TwitterEmail this to someone