Oogpunt van een onderzoeker

Dit is een bewerking van een blog op de Kennislink Faces of Science website van 12 maart 2015.

Marieke Rienks, PhD student Moleculaire Cardiologie aan de Universiteit Maastricht

Marieke Rienks, PhD student Moleculaire Cardiologie aan de Universiteit Maastricht

Marieke Rienks komt uit Leeuwarden, en studeerde in 2010 af van haar Master Geneeskunde aan de Universiteit Maastricht. Haar interesse in cardiologie en interne geneeskunde leidde tot haar PhD-onderzoek naar de rol van extracellulaire eiwitten in hartspierafwijkingen. Na haar PhD in Maastricht keert ze terug naar de klinische praktijk waar ze haar opleiding tot internist zal afronden. Vanwege haar interesse in dierenwelzijn en ervaring met proefdieronderzoek in de academische wereld maakt ze zich sterk voor open en eerlijke communicatie over proefdieronderzoek.

“Ik doe onderzoek naar hartfalen en gebruik daarbij proefdieren, ben ik dan een slecht mens?”

Vorig jaar is de Universiteit van Maastricht in het nieuws gekomen vanwege de labradors die gebruikt worden bij de onderzoeken naar hartfalen. Hier werd schande van gesproken. Als ‘labrador’-onderzoeker houd je dan ook wijselijk je mond over je werkzaamheden, bang om veroordeeld te worden. Ik, als ‘muizen’-onderzoeker, bemerk aanzienlijk minder weerstand wanneer ik in mijn omgeving uitspreek dat ik onderzoek doe naar hartfalen en daarbij gebruik maak van muizen. Is dit dan minder erg? Ongeveer tweemaal per jaar worden er anti-proefdier demonstraties gehouden op de universiteit. Hier worden we als onderzoekers altijd tijdig van op de hoogte gebracht en we krijgen tevens het wijze advies niet in discussie te treden met de betreffende demonstranten. Maar waarom eigenlijk niet? Is het idee dat onderzoekers en demonstranten lijnrecht tegenover elkaar staan wel juist? Willen we eigenlijk niet allemaal gewoon hetzelfde?

Onderzoek doen met proefdieren: wat komt er allemaal bij kijken?

Onderzoek doen op dieren, dat mag natuurlijk niet zomaar. Als je onderzoek wil doen waarbij gebruik met proefdieren nodig is, gaat hier een lang en zorgvuldig traject aan vooraf: Wanneer je een goede onderzoeksvraag hebt, moet je deze zorgvuldig op papier uiteenzetten. Je moet hierbij niet alleen beargumenteren waarom wat jij wil onderzoeken van belang is, maar ook hoe je dit wil gaan bestuderen. Verder moet je toelichten welke proefdieren je hiervoor zal moeten gebruiken, wat de uitkomstmaten zijn waar je naar gaat kijken, hoeveel dieren je hiervoor nodig zou hebben en wat het verwachte leed of ongerief is van het dier en hoe je dit zo veel mogelijk kan reduceren (denk aan pijnstilling). Deze zeer uitgebreide aanvraag dien je vervolgens in bij een commissie bestaande uit tien leden, waarvan vier niet verbonden zijn aan de betreffende universiteit.

Maanden

De commissieleden beoordelen de aanvraag grondig. Indien er vragen of onduidelijkheden zijn, krijgt de onderzoeker de gelegenheid dit te verduidelijken. Indien er alternatieven mogelijk zijn, wordt de onderzoeker verzocht zijn aanvraag aan te passen. Er wordt uiterst nauwkeurig naar de aanvragen gekeken waarin geen enkel aspect wordt onderbelicht. Deze beoordeling kan enkele maanden duren. Als er eenmaal een goedkeuring is afgegeven, betekent dit niet dat iedereen zomaar de betreffende proeven mag uitvoeren. Hiervoor is expertise vereist die in verplichte trainingen wordt aangeleerd. Indien een onderzoeker niet beschikt over de betreffende kwalificaties zal hij of zij de proef niet uit mogen voeren.

Waarom honden en niet gewoon muizen?

Wat je als onderzoeker altijd heel goed moet bedenken bij het schrijven van je aanvraag, is of je de onderzoeksvraag wel kunt beantwoorden door het gebruik van het proefdier. Om een redelijk simpel voorbeeld te geven: stel we zouden een nieuwe techniek willen onderzoeken om aderverkalking in de kransslagaders van het hart beter te behandelen. Het heeft voor voor het beantwoorden van deze vraag geen zin om muizen of ratten te gebruiken. Logischer is om een varken te nemen, omdat de anatomie van het hart van een varken ontzettend veel lijkt op die van een mens, zowel in grootte als in het verloop van de kransslagaders. Zo zijn er tal van redenen waarom in sommige gevallen onderzoek op een groter proefdier voor het beantwoorden van bepaalde vragen onontkoombaar is.

Knuffelbaarheidsgehalte versus intrinsieke waarde

De meeste proeven in het onderzoek worden echter gedaan met knaagdieren. Muizen en ratten worden in onze samenleving over het algemeen als ongedierte gezien en geassocieerd met ziekten en viezigheid. Honden daarentegen worden enkel gehouden als huisdier en hebben de status van ‘kameraad’ verworven. Met deze redenering wordt mijn onderzoek op muizen vaak geaccepteerd terwijl onderzoek op honden wordt veracht. Deze optiek is grotendeels cultureel bepaald en hierdoor ook moeilijk te ondermijnen. Ikzelf ben ook schuldig aan een dergelijke opvatting. Hoe hoger het aaibaarheidsgehalte van een dier, des te meer moeite ik ermee zou hebben de onderzoeken erop uit te voeren. Toch zou aaibaarheid geen criterium moeten zijn. Immers, ieder levend wezens heeft zijn eigen ‘intrinsieke waarde’. De intrinsieke waarde van een dier is de waarde die wordt gehecht aan het leven van een dier of de soort, los van wat de mens daaraan toekent. Vanuit dit perspectief heeft een muis dus evenveel intrinsieke waarde als een hond en zou er geen verschil moeten zijn in acceptatie met betrekking tot onderzoek op honden of muizen. Echter blijkt in de praktijk het begrip ‘intrinsieke waarde’ een moeilijk begrip om rekening mee te houden omdat we het knuffelbaarheidsgehalte van een dier onmogelijk kunnen negeren.

Maar wanneer vinden we het gebruik van welk proefdier dan acceptabel?

Als we kijken naar de geschiedenis zien we dat vele grote stappen in de medische wetenschap mogelijk zijn gemaakt door het gebruik van proefdieren (zie de figuur hieronder).

Bron: “The Proud Achievements of Animal Research”, Foundation for Biomedical Research – 2003

Duizenden mensen hebben hun leven bijvoorbeeld te danken aan de polio (kinderverlamming)-vaccinatie, een ziekte die vandaag de dag zelfs nauwelijks meer bestaat! Helaas heeft de zoektocht naar nieuwe medicijnen vandaag de dag geen hoog succespercentage. Na uitgebreid onderzoek in vitro en met computermodellen zijn proefdierstudies alsnog nodig om zeker te weten dat medicijnen veilig genoeg zijn om op mensen getest te worden. Na deze verschillende soorten pre-klinische studies en de vier fasen van klinisch onderzoek in gezonde vrijwilligers en patiënten wordt maar 10% van de potentiële medicijnen goedgekeurd. Als we dit afzetten tegen de ontdekkingen uit het verleden, wat vinden we het leven van al die proefdieren dan waard? Wanneer vinden wij dit dan acceptabel?

HET medicijn

Als je van tevoren zou weten dat de ontwikkeling van HET nieuwe medicijn tegen kanker, tweeduizend muizen en vijfhonderd honden het leven zou kosten, is dit dan acceptabel? Of als het om andere proefdieren zou gaan, of om een zeldzamere aandoening, of om ziekten die het gevolg zijn van een leefstijlkeuze? En om het nog een beetje moeilijker te maken: Wat nou als we hierbij ook de ‘kwaliteit van het leven van de proefdieren’ meenemen? Verandert onze keuze als de vijfhonderd honden voor het nieuwe kanker-medicijn slechts een beetje ziek moeten zijn terwijl de honderd honden heel erg ziek moeten zijn? Kan ons waardeoordeel over de mate van ‘ziek zijn’ in relatie tot het betreffende proefdier, het doel van een proef rechtvaardigen? Moeten we überhaupt een subjectieve factor als ‘lijden of ongerief’ zwaarder laten wegen dat ‘overlijden’?

Ingewikkelde vragen

Dit zijn allemaal zeer ingewikkelde vragen waar ik me iedere dag mee bezig houd. Als je het mij vraagt, zouden we geen proefdieren meer gebruiken voor onderzoek… alleen is dat niet realistisch! Een organisme is zo ontzettend complex en we zijn er helaas nog niet in geslaagd een robot te creëren die model staat voor deze complexiteit. Temeer omdat we nog zo ontzettend veel dingen over de werking van ons menselijk lichaam moeten ontdekken. Dat neemt niet weg dat we erg kritisch moeten blijven en dat dit juist discussies zijn die we moeten blijven voeren. Onderzoekers en demonstranten staan mijns inziens namelijk minder lijnrecht tegenover elkaar dan wellicht altijd wordt gedacht.

– Marieke Rienks

Share on FacebookTweet about this on TwitterEmail this to someone